Terug naar overzicht

De wonderparaplu

Mikszáth Kálmán

H.A.C. Beets-Damsté

RomanEditie nr. 84 / 2018
door: Edwin van Schie

Regelmatig word ik gebeld met de vraag of ik weet waar mensen hun oude Hongaarse boeken naartoe kunnen brengen. Er is een (Hongaars) familielid overleden, of men gaat kleiner wonen en wil graag dat de achtergebleven voorraad Hongaarse boeken of boeken met een Hongaars onderwerp een goede bestemming krijgen. In het begin van mijn carrière als docent Hongaars kreeg ik eens een alleraardigste collectie in handen met onder meer een handgeschreven boekje met ruim 1000  Hongaarse volksliedjes, een manuscript “in tweede doorslag” van een Hongaars-Transsylvanische roman (waarover in een volgend nummer meer) en nog wat Hongaarse boekjuweeltjes. Toen mijn boekenkast uitpuilde en ik van het thuisfront de opdracht kreeg rigoureus te gaan ruimen, besloot ik geen boekerfenissen meer te aanvaarden, maar de schenkers door te verwijzen naar organisaties die nog wel iets met oude Hongaarse boeken doen. Toch kon en mocht ik ook later nog in sommige gevallen geen nee zeggen….


Zo was er eind 2017 een oud-cursist van ongeveer het eerste uur, die kleiner ging wonen en voor haar Hongaarse en Hongaars-getinte boeken graag een goede bestemming zocht. Omdat ik wist dat zij het gehele “Hongaars Archief” van Jan Cremer compleet had, besloot ik dit verzoek bij wijze van uitzondering niet af te wimpelen en uiteindelijk ging ik met het complete “Archief” en een doos Márai’s en andere recente vertalingen de deur uit (die op Hongarije Plaza goed van pas zouden komen als ramsj-aanbieding of cadeautje bij een nieuw abonnement). Maar ook zaten er een paar boekjuweeltjes bij waaronder De wonderparaplu van Kálmán Mikszáth. Mikszáth is een van die oude meesters van de Hongaarse vertelkunst, die zeer populair waren bij leven en ook nu nog graag gelezen worden. De bakermat van Mikszáth lag in het huidige grensgebied van Hongarije en Slowakije en het aloude Felvidék (het noordelijk deel van het voor-Trianonse Hongarije, ongeveer het huidige Slowakije) en daarmee zijn we bij het thema van dit nummer van Most Magyarul! Hongarije Magazine aangeland.


De wonderparaplu verscheen in 1895 als Szent Péter esernyője  (De paraplu van Sint Petrus). In 1908 is bij de Blauwe Bibliotheek de Nederlandse vertaling uitgebracht die in 1934 werd heruitgegeven door de Wereldbibliotheek. Deze vertaling was van de hand van “H.A.C. Beets-Damsté”. Ik heb deze zomer de tweede druk uit 1934 gelezen.

In De wonderparaplu lopen twee verhaallijnen door en langs elkaar, die op een gegeven moment bij elkaar komen. Hierdoor heeft de lezer een tijd lang een kennisachterstand en is er spanning. De spanning wordt nog opgevoerd als er in de tweede verhaallijn verwijzingen verschijnen naar het eerste verhaal. Intussen zijn ook de schetsen zelf, waarin de menselijke aard van alle bevolkingsgroepen van het oude Felvidék de revue passeren, zeer amusant. Er zijn levendige dialogen met een bonte stoet aan karakters zowel uit de gegoede burgerij als uit het dorpsleven en de toenmalige zelfkant van de maatschappij en Mikszáth schuwt niet de menselijke aard in al zijn facetten te laten zien: van schooiers en schuimers tot slinkse erfenisjagers, van gierige handelaars tot goedmoedige boeren. In die tijd was er een natuurlijke vreedzame co-existentie tussen de Slowaken (door de Hongaren Tótok genoemd) en de Hongaren en de Duitstaligen in vooral de mijnsteden. Ook de joden hadden er hun specifieke rol (al vond de vertaalster het kennelijk ietwat te beladen om een wellicht negatief te interpreteren verwijzing van Mikszáth naar hun “handelwijze” mee te nemen in haar vertaling (zie kader aan het einde van dit artikel).


Op “De weg naaar Glogova”, dat zowat het enige plaatsje is in De wonderparaplu dat ik niet heb kunnen vinden op de kaart, maar dat dan ook ontsproten is aan de fantasie van de auteur, komen de verhaallijnen bij elkaar en is er een soort eerste climax, waarin ‘hij haar pa vraagt om haar hand’ en deze pa al toestemt, maar het meisje nog even geen antwoord kan geven… Na nog wat verwikkelingen en de oplossing van een mysterie komt er dan een happy end, hoe romantisch!  Ik vind het heerlijk.


Maar ik heb tijdens het lezen van De wonderparaplu niet alleen genoten van dit sprookje of, zo je wilt, volksverhaal. Ik bewonderde ook de manier waarop Beets-Damsté de Hongaarse tekst in het Nederlands had weergegeven. Heel soms gebruikte ze wel een Hongaars-achtige volgorde of kon je bijna ‘zien’ met welk Hongaars woord ze bezig was geweest, maar meestentijds genoot ik van een heerlijk oud-Hollandsche tekst met woorden die wij vijftigers nog kennen van onze ouders en grootouders, maar die bij de huidige jongere generaties al schier uitgestorven zijn.


Maar wie was die Beets-Damsté eigenlijk. Al googelend naar ik weet niet meer wat, stuitte ik het afgelopen voorjaar op een artikel van Antal Sivirsky uit 1969, in bezit van de Koninklijke Bibliotheek en gedigitaliseerd door Google. Daarin vertelt Sivirsky dat er eind negentiende eeuw via de in gereformeerde kringen bekende stichting Stipendium Bernardinum, die jonge Hongaarse theologen liet studeren aan de Universiteit van Utrecht, een jonge Hongaarse predikant met de naam Zsigmond Nagy (What’s in a name!) naar Utrecht kwam en van 1881-1884 theologische colleges kreeg van onder meer Nicolaas Beets (ja, die van de Camera Obscura!) en professor Opzoomer (waarover later meer). Het blijkt dat niet alleen Hongaren gastvrij zijn, maar ook Nederlandse gereformeerden: Zsigmond was al gauw bevriend met de zoon van Beets, Adriaan Beets en met diens echtgenote, Helbertine Anna Cornelia Damsté.


Toen Zsigmond jaren later in Hongarije als kenner van de Nederlandse literatuur de opdracht kreeg om een Hongaarstalige geschiedenis van onze letteren te fabriceren en in 1903 terugging naar Nederland om zich hier verder in te lezen in de Nederlandse literatuur – wendde hij zich weer tot de familie Beets, immers, niet alleen vader Nicolaas was een gerenommeerd Nederlands schrijver, ook zoon en vriend Adriaan was een man der letteren en later ook redacteur van het groot Woordenboek der Nederlandse taal (WNT). Het wekenlange bezoek van Zsigmond aan de familie Beets bleek een vruchtbare kruisbestuiving:  hij nam niet alleen de Nederlandse letteren tot zich, maar bracht ook  Adriaans vrouw, Helbertine Beets-Damsté, die toen al op verdienstelijke wijze vertalingen publiceerde van Zweedse literatuur, de eerste beginselen van het Hongaars bij en enthousiasmeerde haar voor de Hongaarse literatuur, waaronder die van Mikszáth. Hetzelfde zaadje had  Zsigmond Nagy in de jaren tachtig van de negentiende eeuw al geplant bij Adele Opzoomer, de dochter van genoemde professor Cornelis Opzoomer, die als A.S.C. Wallis en vrouw van de Hongaarse theoloog Géza Antal in 1887 al de Tragedie van den mensch had vertaald en later ondermeer ook gedichten van Sándor Petőfi en werken van Mihály Tompa.


Als ik deze bilaterale contacten overdenk, schiet mij altijd te binnen dat ik indertijd eveneens door (de zoon van) een gereformeerde dominee zo aangestoken ben met het virus Hungaritis dat ik ook Hongaars ging leren en me een loopbaan verschafte in en met deze fascinerende taal en cultuur. Omdat ik ook zo in de ban was van de liefde van mijn oude vriend Karcsi voor zijn volk en taal en me door hem liet “begeesteren” in een periode dat ik juist op zoek was naar wat ik met mijn leven zou moeten aanvangen, kan ik de sessies van de dames Opzoomer en Beets-Damsté met Zsigmond Nagy bijna voor me zien: een geestdriftig,  waarschijnlijk besnorde, good-looking Hongaarse gentleman met een grote kennis van cultuur, die fascinerende verhalen vertelt over Hongaarse boeken en schrijvers en ze en passant betovert met de magisch-ritmische klanken van het Hongaars…

Terug naar De wonderparaplu. Ik noemde hierboven al de dramatische impact van dit boek: naast levendige beschrijvingen van gesprekken van boeren, burgers en buitenlui staan twee verhaallijnen die elk een eigen opbouw kennen zoals bij klassiek drama:  exposé, verwikkeling, climax, ontknoping en afwikkeling. Zo’n verhaal leent zich uitermate goed voor een toneelbewerking of verfilming. De herdruk van de vertaling in 1934 sloeg hier te lande blijkbaar zo goed aan dat het boek niet alleen in flinke aantallen werd verkocht, maar ook de belangstelling wekte van de radio. De toen zeer bekende ‘hoorspelfabriek’ onder leiding van scenarioschrijver Luc Willink, regisseur Kommer Kleijn en met hoorspelacteurs als Frits Bouwmeester, Jan Retèl en Heleen Pimentel, bewerkte De wonderparaplu tot een hoorspel dat in de nazomer van 1938 in vijf afleveringen werd uitgezonden op de Nederlandse radio. Van deze afleveringen zijn de twee laatste bewaard gebleven. Natuurlijk heb ik ze opgevraagd bij Beeld en Geluid en beluisterd.  Ook hier die prachtige, goed gearticuleerde Nederlandse taal met die aloude, voor sommigen ietwat verheven of zelfs overdreven dictie, en gelardeerd met fragmenten Hongaarse zigeunermuziek. Ik ben benieuwd of men er vastgelegde opnamen voor gebruikte of dat er destijds een zigeunerorkestje naar de studio is gehaald…

En dan blijkt dat wat voor mij de aantrekkingskracht vormde van het boek, ook heeft geleid tot een film. In 1958 bracht een Hongaars-Slowaakse co-productie met zowel een Slowaakse als een Hongaarse regisseur aan de leiding, in beide landen een film uit van Szent Péter esernyője. Dezelfde beelden, maar in beide talen gesproken. Zie hier een positieve bilaterale samenwerking bij de verfilming van een verhaal dat zich afspeelt in de streek tussen Beszterce Bánya (Banská Bystrica) en Selmecbánya (Banská Štiavnica) in het oude Noord-Hongarije, Felvidék, waar Slowaakse en Hongaarse boeren, dorpelingen, burgers en magistraten, priesters, militairen en Joodse handelaars de revue passeren. De film is daadwerkelijk opgenomen in (de oude Hongaarse delen van) Slowakije, een prachtige couleur locale voor deze film in kleur. Net als het boek heeft de film ook een happy end en, ik zei het al, daar houd ik als aarts-romanticus wel van. De vrouwelijke hoofdrol wordt vertolkt door de bekende Hongaarse actrice Mari Törőcsik. (Klik op de afbeelding om de film te zien.


Bracht Mikszáth dus al in de negentiende eeuw de multiculturele samenleving van Felvidék in beeld, ook liet hij al zien hoe de economie werkte, hoe volksgeloof en bijgeloof economisch kunnen worden uitgebuit, althans hoe een gril, een hype ook eind 19e eeuw al kon leiden tot economisch gewin. Maar ook is De wonderparaplu een verhaal waarin volharding en geloof in eigen kunnen en eigen wil een belangrijke rol krijgen toebedeeld. Een wonderlijk verhaal in een meesterlijk boek in heerlijk Hongaars en een eveneens heerlijke Nederlandse vertaling.


Edwin van Schie 

Hieronder een tweetal citaten, eerst Nederlands, daaronder het Hongaarse origineel.

In vet de korte Nederlandse regels die in het Hongaarse origineel een enigszins gewaagde passage vormen:

De meester wachtte ons op het schoolplein op. Herinner ik het me wel, dan heette hij George Majazik. Hij was een krachtige, flink gebouwde man met een verstandig gezicht en een aangename spraak. Hij wekte direct onze sympathie op.

Hij leidde ons naar het schoolvertrek, waar de meisjes links, de jongens rechts zaten, allen netjes en frisch er uitziend. Ze stonden met groot lawaai in hun banken op en riepen ons op zangerigen toon toe:

“Vitajtye panyi, vitajtye!” (Weest gegroet, heeren!)


De president (van de rechtbank, red.) richtte eenige vragen tot de knappe, dikwangige kinderen die ons met hun groote bruine kijkers verbaasd aanzagen. De vragen waren natuurlijk niet moeilijk: of er maar één God is, hoe ons vaderland heet en meer dergelijke, maar toch bezorgden ze de kinderen eenig nadenken en hoofdbreken.

De president klopte den meester vriendschappelijk op den schouder en zei:

- Ik ben tevreden, het is genoeg, amice!

De schoolmeester maakte een buiging en leidde ons blootshoofds weer naar buiten. (blz. 13-14).


Originele Hongaarse tekst:

A tanító az udvaron várt bennünket. Ha jól emlékszem, Majzik Györgynek hítták. Robusztus, erős ember volt, java férfikorban, értelmes, okos arcú, egyenes, igaz beszédű. Egyszerre rokonszenvet költött az emberben.

Bevezetett a gyerekekhez, az iskolás lányok ültek balról, a fiúcskák jobbról, szépen megfésülve. Mind felálltak nagy sustorgással és éneklő hangon kiáltották:

- »Vitajtye panyi, vitajtye!« (Legyetek üdvözölve, urak!)

A szolgabíró egy-két kérdést intézett a csinos, pufókképű gyerekekhez, akik roppant megbámultak bennünket kerekre nyitott diószínű szemeikkel. Valamennyinek diószín szeme volt. A kérdések persze nem voltak nehezek, hogy hány az Isten, miképpen híják ezt az országot s több ilyenek - a gyermekeknek mégis némi gondot, fejtörést okoztak.

De a principális nem volt szigorú ember, barátságosan veregette meg a tanító vállát:

- Meg vagyok elégedve, amice.

A tanító meghajtotta magát és hajadonfővel kísért ki bennünket az udvarra.

- Csinos gyerekek - mondá ott künn a szolgabíró kedélyesen -, de honnan van az, domine fráter, hogy mind olyan egyforma képűek?

A glogovai mester egy kissé zavarba jött, aztán őszinte kedélyesség öntötte el egészséges, piros képét.

- Hát az onnan van, tekintetes uram, mert nyáron az összes glogovai férfinép elszéled le az alvidékre mezei munkákra, és ilyenkor olyan magam vagyok itt egész őszig, mint az ujjam. (Csintalan mosoly jelent meg az ajkai körül.) Méltóztatik érteni?

- És hány éve van itt? - kérdé erre a szolgabíró élénkebben.

- Tizennégy éve, kérem alássan. Látom a kérdésből, hogy méltóztatik érteni.

In vet de kortere, gekuiste Nederlandse tekst en de Hongaarse ietwat niet politiek- correcte versie...


Zoo geschiedde het dan ook gedurende een dag of tien, tot het ruchtbaar werd dat de heeren Mattheus Ballegi en Frans Koczka naar Beszterce gingen om daar hun koren op de markt te brengen, waar ze er meer geld voor konden maken dan hier in Halap. (blz. 9)


Originele Hongaarse tekst:

Így is volt a dolog vagy tíz napig, amikor aztán egyszerre híre ment, hogy Billeghi Máté és Koczka Ferenc uraimék Besztercebányára viszik eladni a búzájukat (merthogy azt mondják, arrafelé még nem oly okosak a zsidók, mint minálunk).

Terug naar overzicht

Hongaarse Literatuur