Terug naar overzicht

Drie romans van nobelprijswinnaar Imre Kertész

Kertész Imre

Diverse vertalers

Liquidatie

De roman Liquidatie van Imre Kertész verscheen te Boedapest in 2003 en in Nederland in 2004  Dit desolate en indringende boek heeft een andere sfeer dan de voorgaande delen Kaddisj voor een niet geboren kind en Onbepaald door het lot, die in Hongarije in 1990 en 1975 uitkwamen. 

Liquidatie kwam uit in de vertaling van Mari Alföldy bij de Bezige Bij. Het boek Liquidatie is geschreven in een zeer persoonlijke stijl, die me herinnert aan het werk van Pirandello, maar dan soberder. Kertész houdt ondanks zijn expliciete stijl, iets raadselachtigs. De karakters en plaatsen van handelingen geeft hij een wisselende context, waardoor de lezer meegesleept wordt in de voortdurende vraag waarom. De auteur springt talloze malen heen en weer en vertelt als terloops hoe bijvoorbeeld de enkele baby’s die in Auschwitz ter wereld kwamen in het been een nummer kregen omdat er bij baby’s te weinig plaats is op de bovenarm. Net als in eerdere delen vervlecht Kertész zulke informatie in een goed geconstrueerde verhaallijn, waardoor de strekking van het gelezene extra doordringt en zich in de herinnering vasthaakt. Kertész kan dit teweegbrengen omdat zoals uit het eerste deel van zijn drieluik al bleek zijn belevenissen authentiek zijn en het thema Auschwitz onlosmakelijk met hem verbonden blijft. Zijn roman Liquidatie laat een ongelooflijke tragedie en bijtende humor zien die de vele verwikkelingen kleuren. Hij onderzoekt de beweegredenen van handelingen en gedachtegangen en ziet kans daarbij filosofische en analytische stellingen te poneren, zoals in een eerste bedrijf :---“De bewegingloze wereld van opgeschorte levens, die steeds weer wordt bezoedeld door feilbare hoop. Maar zij zien dat niet zo. Ze bewaren alleen de vage herinnering aan de strijd, hoe ze elke dag als het ware met handen en voeten tegen de onneembare muren optrokken, totdat ineens op raadselachtige wijze de weerstand wegviel en ze zich plotseling in het niets bevonden dat ze in hun eerste verdoofdheid voor vrijheid aanzagen.”--- (p. 26). Wanneer het besef van de onvermijdelijkheid van het doorgemaakte en aangedane leed doordringt, blijkt het bijna onmogelijk hierin te berusten of dit zo vorm en plaats te geven dat hiermee verder te leven valt. Liquidatie maakt een eind aan een dergelijke zelfstrijd, een afronding die anderen beroert en een gevoel van ongrijpbare schuld oproept. Maar liquidatie doet individuele stemmen verstommen die gehoord hadden kunnen worden.

---“Ik vroeg je om het niet te doen”--- “Het feit dat het mogelijk is om zo diep te zinken. Hoe bedoelde ik dat? Hoe diep? Helemaal tot het niveau van Auschwitz: zo diep dat je je trots en je wil verliest, je doelen opgeeft, jezelf verliest.”--- (p. 126). Dat ongrijpbare maar ingrijpende van een beladen verleden haalt de schrijver heel knap naar voren, op een literair en historisch verantwoorde wijze. De grootste kracht ligt voor mij echter in het universele aspect van schuld, gedrevenheid en onmacht dat Kertész, alsof het midden in een ruwe edelsteen ligt, door steeds een ander facet bekijkt.

Kaddisj voor een niet geboren kind

Ik ben nooit in Auschwitz geweest, waar de in 1929 geboren  Kertész in 1944 naar gedeporteerd is. Ik heb Buchenwald bezocht, waar de schrijver in 1945 bevrijd is. De innerlijke kou die me beving bij het betreden van Buchenwald bekroop me ook tijdens het lezen van het in 1993 door Henry Kammer vertaalde Kaddisj voor een niet geboren kind.(Van Gennep). Het boek herinnert mij aan de verstikkende werking die plaatsen zoals Buchenwald op mij hebben. Het tot me nemen van Kertész’ werken lijkt op het intensief zien van de relikwieën en documenten die gerelateerd zijn aan zulke treurigstemmende herinneringen. De afremmende kou, die tijdelijk of altijd het leven vertraagd voorbij laat gaan, breekt door het werk van de kunstenaar heen. De beklemming onder en door de immense woordenstroom blijft. Zelfs de erkenning van de voor het eerst aan een Hongaar toegekende Nobelprijs voor literatuur in 2002 verzacht Auschwitz en alles wat daarmee samenhangt niet. Ongebroken maar getekend door het verleden spreekt de auteur door al zijn werk, waarin leed van ruim een halve eeuw sporen trekt. De diepte in de autobiografische monoloog Kaddisj is hartverscheurend, maar afstandelijk beschreven en juist die afstand maakt de holocaust ongenaakbaar. Overleven is zo zwaar dat de gedachte aan een kind ter wereld brengen onbespreekbaar blijft. Het samenzijn met zijn geliefde en in vele opzichten gerespecteerde vrouw verandert daar niets aan, de vraag blijft bijna een belediging voor Kertész, omdat de gedachte aan een kind een voor hem onmogelijk te verwezenlijken idee inhoudt. Het citaat op  pagina 79 :---“ik gedroeg me als een bever, zo’n bijna ratachtig dier dat door zijn instinct wordt aangezet tot het construeren van ingewikkelde dammen, vluchtwegen en holenstelsels, ja zelfs tot het bouwen van forten.---” spreekt voor zich. De analytische soms bijna cynische woordenstroom van Kertész vormt in wezen een fort, waarin de kwetsbare en gevoelige schrijver, vertaler zich schuilhoudt en zijn waarachtig en hartgrondig “Nee” afvuurt als antwoord op de vraag of hij kinderen heeft. Kertész’ wereld vormt een poel waarin verleden en heden verbonden blijven met zoals hij schrijft ‘anderen die boven de wolken wonen.’ De vlijmscherpe vergelijkingen met wel of niet lotgenoten (Auschwitz) en de interpretaties van soms achteloze opmerkingen van de karakters die onder de loep genomen worden voeren de lezer mee in het voortdurend vragen en antwoorden herformuleren. De manier waarop de schrijver zijn vrouw, collega’s en passanten belicht, maken het boek eigenzinnig. De toon is anders dan in het aangrijpende eveneens door H. Kammer vertaalde Onbepaald door het lot, het eerste deel van het drieluik over de uitwerking van Auschwitz.

Onbepaald door het lot

Onbepaald door het lot ontstond lang na Auschwitz en Buchenwald in een land dat andere onderdrukkende periodes meemaakte. De beschrijvingen zijn zo pregnant dat het lijkt of de schrijver zojuist deze plaatsen verliet. Deze autobiografische roman kwam in 1975 uit in Boedapest en bijna twintig jaar later in 1994 in vertaling bij van Gennep. Het spreekt voor zich dat deze roman daar vorig jaar december de zesde herdruk haalde. In het meesterwerk Onbepaald door het lot wordt de intelligentie van een gevoelige opmerkzame Joodse jongen zichtbaar. Hij past zich, zoals velen door de nood gedwongen, voortdurend aan zijn levensomstandigheden aan. Die omstandigheden zijn vanuit ons perspectief nu makkelijk te benoemen als onwaardig, maar voor de naïeve goedwillende kleine Kertész waren ze onontkoombaar en zijn vermogen om er het beste van te maken heeft zijn overlevingskansen vergroot. Hij beschrijft gedetailleerd zijn kampgenoten en bewakers. Ze stappen levensecht de wereld van de lezer binnen en de schrijver maakt daardoor zichtbaar wat ongezegd bleef in vele andere documenten. De conclusie aan het eind van dit ononderbroken relaas over een steeds veranderend en benauwender wordend schrijnend bestaan getuigt van kracht en kwetsbaarheid. De kleine Kertész toont de wil om te overleven en het kwade onder ogen te zien zonder al het goede te laten overschaduwen. Bepaalde passages deden me denken aan het ziekenhuis waar ik ooit als student als schoonmaakster werkte. De ene terminale patiënt  rochelde meewarig over de andere: “Sst, hij is aan zijn laatste eindje hoor, niente in petto. Ik kan mijn bezoek nog herkennen.” Hoe erg iets ook is, de mens beschikt over een vermogen om binnen elke context naar verzachtende omstandigheden te zoeken. Na het meeleven met alle gruwelijkheden is de opmerking van Kertész: ---“in de verte, wist ik, wachtte het geluk al op me, als een onvermijdelijke val ”--- kenmerkend voor Kertész, maar deze woorden staan naast de opmerkingen over de kleine gelukservaringen, die boven de gruwelen uittorenden. Onbepaald door het lot is een humaan document en zeker meer dan een egodocument, dankzij het specifieke schrijversschap van de kunstenaar Imre Kertész. Het in drie maanden in een afgeleefd oud mannetje veranderen, in plaats van in vijftig, zestig jaar zoals in het normale leven thuis is een van de vele bijna neutrale constateringen die het ongewone benadrukken. De woede en opstandigheid zijn onzichtbaar. Bij terugkeer reageert Kertész op de vraag van een journalist wat hij voelt echter wel dat hij haat voelt en wel naar iedereen. Maar het is een afgedwongen antwoord, niet iets wat spontaan opwelt, de vraag zet hem aan tot een antwoord. Langzaam ontvouwt de betekenis en impact van het doorstane zich aan de jongen die nu een wereldberoemde schrijver-vertaler is. De trilogie laat zien dat Kertész niet alleen het ondergaan en beleven van de kampen belicht, maar ook de gevolgen die dit voor zijn persoonlijke ontwikkelingen had en voor de mensen in zijn omgeving. In Onbepaald door het lot is de emotionele, mentale en fysieke erosie van de tergend langzaam steeds onmenselijker eisen die aan de lijdzaamheid van de kampbewoners gesteld werden in beeld gebracht. Dit laatste is samengebald in de antwoorden die Kertész na terugkeer aan een journalist geeft. Het is niet Kertész die de gebeurtenissen bedacht, evenmin als Picasso zijn Guernica bedacht. Wel kozen beide kunstenaars voor het in beeld brengen van de gruwelijkheden die mensen elkaar nog steeds aan kunnen doen.  Kertész doet dat op een onnavolgbare wijze.


Gerhild Tóth-van Rooij

Terug naar overzicht

Hongaarse Literatuur